Verstoppertje
Genesis 3:8-9
2 minuten

Toen de mens en zijn vrouw God, de Heer, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorde wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. Maar God, de Heer, riep de mens: ‘Waar ben je?’ Genesis 3:8-9 

Het liefst speelt mijn dochter de hele dag verstoppertje. Onder de tafel, achter het keukenblok, in haar tentje, onder de trap… Regelmatig ben ik haar even ‘kwijt’, hoor ik haar in een hoekje eerst haar eigen naam zeggen en dan tevoorschijn komen. ‘Daar!’, roept ze dan. Het mooist is het als ik in haar spelletje meega. ‘Waar ben je?’, vraag ik dan, terwijl ik haar sokken uit haar tentje zie steken. Even klinkt er gegiechel, voor ze haar hoofd om het hoekje steekt. ‘Daar!’  

Even doen alsof Hij niet alles ziet.
Genesis 3:8-9

Ze heeft het niet van een vreemde. Ik ben zelf ook razend goed in mij verbergen. Niet zozeer voor haar, of voor andere mensen, maar voor God. De laatste tijd herken ik me meer dan ooit in Adam en Eva, die zich verbergen in de tuin, in een poging zich te verbergen voor God. Er even niet voor Hem zijn, even mijn eigen gang gaan, even doen alsof Hij niet alles ziet. De confrontatie met mijn eigen naakte menselijkheid even ontlopen. Totdat ik er zelf in ga geloven, en bijna boos wordt omdat God er niet meer lijkt te zijn. ‘Waar bent u nu?’ 

Wie verbergt zich nou voor wie? Tijdens een alpha-avond vertelde een broeder me dat God zich niet verborgen houdt, maar ont-dekt moet worden. Het was een uitspraak die bij me binnenkwam. Wat bedek ik God vaak, door mijzelf te verbergen, en vervolgens te leven in de waan dat Hij er niet is. Mijn eigen ‘verbergen’ zit de verschijning van God ongelofelijk in de weg. En intussen maar mopperen op de God die zich niet zien laat. Terwijl ik zelf tussen de bomen sprong, toen ik Hem in de verte hoorde naderen. Ik ben er even niet. 

Ik troost me met de gedachte dat God me, dwars door al mijn pogingen om me te verstoppen, allang gezien heeft. Hij weet welke spelletjes ik met hem speel, en af en toe laat hij me rustig even in mijn tentje zitten. Totdat er dan, na een tijdje, genadig klinkt: Waar ben je? Kom tevoorschijn! Ik dank God, dat hij mij – ondanks mijn beschuldigen van Zijn afwezigheid – steeds weer tevoorschijn roept. Tijd om uit mijn boom te klimmen en God opnieuw te ont-dekken. Hier ben ik, Heer. 

Nienke Meinster

11 maanden geleden

Genesis 3:8-9