Nabij zijn
Lezen: Mattheus 1:18-23
4 minuten

Hij schrijft het woord met statige letters in zijn dagboek: anderhalvemetersamenleving. Dagboek is een te mooi woord voor het oude schrift van de Hema dat hij bij het opruimen van de spullen van zijn vrouw Maartje gevonden had. Ze was vlak voor haar dood begonnen dingen op te schrijven waar ze dankbaar voor was. ‘Jozua’s omarming in de ochtend en zijn kus in de avond’ was het laatste wat ze zelf met moeizame letters had vermeld. De bladzijden was bobbelig – hij hoefde niet te raden naar de reden.

In wat haar laatste dagen bleken te zijn, had haar hand de kracht niet meer om te schrijven. Haar hart wel, ondanks het infarct van drie weken eerder. Ze dicteerde hem terwijl hij ‘bloeiende hortensia’ schreef, en ‘de geur van Puck’, hun kleindochter die toen nog een baby was en bij haar in het thuiszorgbed in de achterkamer mocht liggen. Kort daarna is ze overleden, dood en nieuw leven liggen zo dichtbij elkaar. Hij heeft Puck twee weken geleden een kaartje voor haar zesde verjaardag geschreven. Alle kleinkinderen stuurt hij een mooi kaartje voor hun verjaardag. Met twintig euro erin. Het is fijn als er dan in de dagen daarna eentje belt. Sinds de zomer heeft hij niet één van hen meer gezien. Door het coronavirus, maar ze zijn ook gewoon druk, denkt hij. Zijn kinderen zwaaien weleens door het raam. Dan bellen ze mobiel en gebaren druk. Eén van hen kust hem dan op het glas…  Zijn vrouw zou het allang gezeemd hebben, hij koestert de vette streepjes.

Hij schrijft niet elke dag; , het zijn flarden van dingen die hij niet wil vergeten. Of liever wel, zoals het woord van het jaar dat hij zojuist opschreef. Eigenlijk verdiende de ellende die het beschrijft die mooie letters niet. Hij had gedacht dat ‘huidhonger’ het zou winnen. Met zijn 87 jaar en longemfyseem is hij een onaanraakbare geworden. De laatste persoon die hij voelde was de doktersassistente die met latex handschoenen en een mondkapje zijn bloeddruk opnam. Hij heeft er nog een bloeduitstorting van. Een confronterend bewijs van zijn kwetsbaarheid. Hij mag niet klagen, er staan mensen om hem heen. Zijn kinderen komen soms langs, letterlijk dan, dan vindt hij een tasje met een potje van zijn favoriete zure haring of pindarotsjes aan de deur. Het staat allemaal nog in de kast, hij heeft maar weinig trek meer. Hij laat zelfs hen niet binnen, op advies van dezelfde doktersassistente. Ook de buurvrouw met haar trage hond kuiert elke dag voorbij en controleert opzichtig of ze hem in leven ziet. En hij krijgt wel eens een telefoontje van de bezoekdame van de kerk.

Eigenlijk verdiende de ellende die het beschrijft die mooie letters niet.
Lezen: Mattheus 1:18-23

Vandaag is het Kerst. Het kerststolletje dat zijn dochter al aan de deur had gehangen toen hij geen moed had om op te staan, snijdt hij toch maar aan. Op het raam ziet hij een nieuwe kus, deze keer had ze blijkbaar lippenstift op vanwege kerst. Ze schreef erbij: ‘Ik ben bij je’. In het tasje zat ook een kerststukje. Hij zet het op de keukentafel en rommelt in de la op zoek naar lucifers. Hij wacht nog even met de kaars aansteken, vandaag wil hij zich wel fatsoenlijk aankleden. Met stropdas en al. Hij realiseert zich dat hij bezoek krijgt. Degene trekt zich niets aan van de strenge lockdown. Hij komt zelf uit quarantaine, waar geen virus dreigt. Deze gast kiest ervoor om zichzelf bloot te stellen aan alle gebrokenheid hier. Het zal zijn dood worden. Maar hij zoekt de onaanraakbaren op, omarmt ze. Jozua zet voor het eerst in maanden een tweede bordje klaar. Vlak naast dat van hem. Met een bibberende hand steekt hij de kaars aan. De suiker op zijn stol ziet er feestelijk uit. Voor hij zijn handen vouwt, opent hij het dagboek. Hij slaat de bladzijde om en schrijft: ‘Immanuel’. Met een streep eronder.

Eline de Boo

1 jaar geleden

Mattheus 1:18-23

18 De afkomst van Jezus Christus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. 19 Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. 20 Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. 21 Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’ 22 Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: 23 ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuel geven,’ wat in onze taal betekent ‘God met ons’.